Per 1 juli 2010 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de preventieve ouderengezondheidszorg. Maar wat betekent dat nu eigenlijk concreet? was een veelgehoorde vraag op de netwerkbijeenkomst van het NUZO (Netwerk Utrecht Zorg Ouderen) die op 24 juni 2010 werd gehouden. “Gemeenten moeten de populatie analyseren, voorzieningen in kaart brengen, en waar nodig interveniëren”, luidde het antwoord. Met de inwerkingtreding per 1 juli 2010 van artikel vijf van de Wet Publieke Gezondheidszorg zijn de colleges van burgemeester en wethouders verantwoordelijk voor de uitvoering van de preventieve ouderengezondheidszorg. Veel gemeenten zijn daar echter niet of nauwelijks van op de hoogte, zo stelde Marieke Schuurmans, hoogleraar Verplegingswetenschap, Afdeling Revalidatie, Verplegingswetenschap & Sport UMC Utrecht in haar inleiding tot de bijeenkomst, die was georganiseerd in samenwerking met VNG Afdeling Utrecht. Het is dan ook zaak voor gemeenten om zo snel mogelijk in actie komen en serieus werk gaan maken van hun ouderenbeleid.
Kik hier voor de Powerpoint-presentatie.
Het verhaal van Herman Mittendorff, wethouder zorg en welzijn gemeente De Bilt, kon daarbij als inspiratie dienen. Mittendorff werd in 2006 benoemd tot wethouder en gebruikte zijn zomervakantie om de net ingevoerde Wet Maatschappelijke Ondersteuning door te nemen. “De kern was: participatie, meedoen. Bevorderen dat alle mensen, ook ouderen, gehandicapten, jongeren, kansarmen, kortom alle mensen met een vlekje kunnen meedoen aan de samenleving. Dat zijn we in De Bilt ook daadwerkelijk gaan doen.” De WMO is door veel gemeenten ‘beleidsarm’ ingevuld, zo vindt Mittendorff. “Het is vooral gericht op de uitvoering en dan ook nog eens gericht op alleen de meest kwetsbaren. Er spreekt geen visie uit, en grote delen van de doelgroepen worden bovendien buiten beschouwing gelaten. In de De Bilt is besloten om de WMO niet als bedreiging – lees bezuinigingsopgave – te zien maar als een uitdaging om participatie ook op het gebied van zorg en welzijn handen en voeten te geven.”
Problemen en frustraties Ouderen zijn daarin een belangrijke doelgroep, aldus Mittendorff. “Als je je oor te luisteren legt, krijg je allerlei problemen en frustraties terug over de complexiteit en bureaucratie van het stelsel. Er kwamen heel veel klachten van ouderen binnen, ook over zaken waar de gemeente helemaal niet over gaat. Maar toch moesten we er iets mee. En daarom zijn we in overleg getreden met in totaal 45 organisaties die actief waren rond de WMO. Onderwerp van gesprek: welke problemen hebben wij nu eigenlijk, en hoe lossen we ze op?” Een eerste belangrijk conclusie was in feite een open deur, aldus Mittendorff: zorg en welzijn zijn nogal aanbodgericht. “Niet de vraag maar het aanbod staat centraal. En de samenhang tussen verschillende interventies ontbreekt.” Een tweede constatering luidde dat mensen hechten aan hun eigen omgeving. “Zeker in dorpen zoals De Bilt, en zeker als mensen ouderen worden. Je moet je dus richten op de wereld van de ouderen. Dat betekent gebiedsgericht, wijkgericht werken.” Een derde conclusie: “Er moet meer samenhang in de voorzieningen worden gebracht. Integrale zorg is het devies. Dat is misschien wel het moeilijkste om van de grond te krijgen. Want ook in de wereld van zorg en welzijn is sprake van verkokering. Terwijl veel vraagstukken met elkaar in verband staan. Daar waar meer doelgroepen bediend kunnen worden moet je dat dus ook doen. Het vereist een veel thematischer aanpak, zowel in de programmering als in de uitvoering van beleid.” Belangrijke randvoorwaarde is daarbij dat de gemeente vooral moet uitgaan van de bestaande organisaties. “Ga nu niet meteen weer iets nieuws opstarten. Maak gebruik van de kennis en ervaring die er al zijn. Dat wat er al is moet je als vertrekpunt nemen.” In totaal werden in vervolg op de bijeenkomst 64 acties ontplooid, variërend van de oprichting van wijkservicecentra, waar eerstelijnshulp op velerlei terreinen kon worden geboden, tot het onderbrengen van de hulp in de huishouding bij zorgaanbieders, zodat er indien nodig ook andere zorgdiensten kunnen worden geboden. Wijkscans worden ingezet om de voortgang van het beleid te monitoren en waar nodig bij te sturen. “Want wees er zeker van: het gaat jaren duren voordat we daar zijn waar we willen zijn.”
Consequenties Helma Slingerland van de Directie Publieke Gezondheid van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport legde in haar bijdrage aan de netwerkbijeenkomst nog eens uit wat nu de consequenties zijn van het nieuwe artikel vijf van de Wet Publieke Gezondheidszorg (WPG). “Er bestaat nog wel eens een misverstand dat het hier om een nieuwe wet zou gaan. Dat is niet zo. De WPG is al sinds december 2008 van kracht. Agnes Kant van de SP had echter bij de behandeling van die wet in de Tweede Kamer een amendement ingediend, waarmee de colleges van B&W de zorg opgelegd kregen voor de uitvoering van de preventieve ouderengezondheidszorg. Daaraan wordt per 1 juli 2010 formeel invulling aan gegeven. En daarbij is een belangrijk verschil met de invoering van de WMO: het van kracht worden van dit artikel gaat niet gepaard met rijksbudget.” Dat heeft ook voordelen, aldus Slingerland. “De lokale beleidsvrijheid is groot, mede ook omdat er grote verschillen bestaan tussen gemeenten zowel in problematiek als in aanbod.” Met nadruk is gekozen voor een functionele benadering. “Geen nieuw structuren.” En bovendien moeten ouderen er serieus bij betrokken worden. “Het is in feite een intensivering van wat gemeenten al werden geacht te doen voor 65 plussers.” Uit het nieuwe wetsartikel volgt voor gemeenten de plicht om de ouderenpopulatie scherp in beeld te krijgen, hun problemen in kaart te brengen en die af te zetten tegen de al aanwezige voorzieningen. Zodat er vervolgens waar nodig interventies kunnen plaatsvinden. “Waar de witte vlekken moeten die worden aangevuld.” Met ondersteuning van het rijk. Diens rol vatte Slingerland samen als “aanjagen en waar nodig ondersteunen.”
Klik hier voor de Powerpoint-presentatie.
Quickscan Riki van Overbeek van Vilans, een onafhankelijk landelijk kenniscentrum op het gebied van de langdurende zorg, maakte vervolgens de resultaten bekend van een quickscan onder gemeenten, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. Van Overbeek: “Gemeenten moeten monitoren, de specifieke problemen in kaart brengen, de behoefte aan zorg bij ouderen ramen, specifieke stoornissen opsporen en helpen voorkomen, en advies en begeleiding geven. De vraag die wij moesten beantwoorden luidde: hoe doen gemeenten het nu echt?” Het blijkt dat gemeenten een zeer divers aanbod hebben voor ouderen. “We merken wel dat er geen volledig overzicht is. Niemand heeft een compleet beeld van het aanbod aan preventieve voorzieningen. Dat aanbod verschilde ook erg per gemeente. Er waren bovendien nogal eens overlappingen, en soms ook tekorten.” Veel aandacht is er bij gemeenten voor vroegtijdige signalering van problemen. Van Overbeek: “Maar als er vervolgens geen passende interventie volgt, heb je daar niet veel aan.” De effectiviteit van de interventies bleek al met al lastig te bepalen. Het bereik was in ieder geval lang niet altijd toegesneden op ouderen als doelgroep, waardoor met name de risicogroepen nog onvoldoende worden bereikt. Er bestaat veel behoefte aan een wijkgerichte aanpak, maar die wordt gehinderd door een veelheid van betrokken organisaties, en een gebrek aan lokale samenwerking. Daar komt bij dat de financiering over veel bronnen is verspreid en nauwelijks structureel kan worden genoemd. “Een belangrijke rol voor de gemeenten is dan ook die van regisseur”, aldus Van Overbeek. Daarbij moeten vooral ook de ouderen zelf betrokken worden. “Zij geven nadrukkelijk aan meer betrokken te willen worden bij zowel beleid als uitvoering.” De resultaten van de quick scan zijn te downloaden via www.vilanswebwinkel.nl.
Klik hier voor de powerpoint-presentatie.
Beeldvorming Na de plenaire sessie werden de deelnemers in diverse workshops aan het werk gezet. Piet Driest, ZZP’ er en voormalig medewerker Vilans en Henk Hutten, directeur Birkhoven Zorggoed, Amersfoort, verzorgden een workshop over dagbesteding van ouderen en het feit dat hiervoor via de AWBZ geen financiering meer voor te krijgen is. Bas Steunenberg, onderzoeker van het NUZO, ging in op de vraag wat het NUZO gemeenten vanuit onderzoeksperspectief allemaal kan bieden. In de derde workshop gingen gemeenten en eerstelijns zorgaanbieders onder leiding van Corine van Maar van Raedelijn en Anneke van Heertum van COSBO Stad Utrecht met elkaar in discussie over de onderlinge relatie. In dat kader leverden onder andere Tooske Valkenburg, huisarts bij gezondheidscentrum Essenkamp, de Bilt en Elisabeth van Oostrum, wethouder van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, een bijdrage. Het beeld over elkaar bleek niet onverdeeld positief. Over de zorgverleners vonden gemeenten bijvoorbeeld dat er geen normaal overleg mogelijk is, omdat ze nooit erbij willen zijn. Een storend beeld, vond Valkenburg. “Als je met iemand wilt overleggen, dan doet het recht aan ander partijen om je te verdiepen in het werk en de tijd van je gesprekspartner. Veel overleg is gepland tussen negen en vijf. Maar dat zijn onmogelijke tijden voor eerste lijn zorgverleners. Veel huisartsen fungeren in geen roter verband. Als je echt graag wilt dat ze komen, benader dan de club die er over gaat, en bepaal samen het meest geschikt tijdstip.” Over gemeenten bestaat het beeld dat zij niet hetzelfde doel nastreven als de zorgwereld en vooral de bureaucratie draaiende houden. Van Oostrum: “Dat raakt me. Dat een gemeente een andere organisatie is, met een andere werkwijze en andere verantwoordelijkheden is duidelijk. Maar het doel is hetzelfde: een zo goed mogelijke zorgverlening voor ouderen.” Volgens Wil Sluis, ex wethouder Nieuwegein, is het ‘ambtenaren bashen’ ook niet bepaald de beste manier om tot samenwerking te komen. “Je moet uiteindelijk iemand verantwoordelijk maken voor de realisatie van de doelstellingen. Kritiek is voor een deel terecht, maar goed toedelen van verantwoordelijkheden is een deel van de oplossing. Risicomijdend gedrag bij ambtenaren en politiek moet sowieso doorbroken worden.” In haar afsluiting wees Schuurmans erop dat er nog voldoende werk te verrichten valt om aan artikel vijf op gemeentelijk niveau vorm en inhoud te geven. “Namens het NUZO hoop ik op veel inspiratie bij alle partijen en de bereidheid om gezamenlijk na te denken en in contact met elkaar te treden. Alleen zo kunnen we tot oplossingen komen.”
Meer informatie : www.nuzo-netwerk.nl Informatie over het rijksprogramma Nationaal Programma Ouderenzorg vindt u op: www.nationaalprogrammaouderenzorg.nl |
|