Gemeenten en provincies moeten meer en beter samenwerken, maar hun samenwerking vervolgens wel toespitsen op essentiële onderwerpen. “We moeten met elkaar helder voor ogen hebben op welke terreinen we samen willen optrekken.” Aldus Ralph de Vries, lijsttrekker voor D66 tijdens de verkiezingstrijd voor Provinciale Staten Utrecht. Hij verwoordde de mening van veel van de twaalf lijsttrekkers, die deelnamen aan het provinciaal lijsttrekkersdebat. Dit debat werd maandagavond 14 februari 2011 gehouden in het provinciehuis. De organisatie was in handen van VNG afdeling Utrecht, in samenwerking met de provincie Utrecht. Meer dan 100 mensen namen deel aan de bijeenkomst.
Het debat werd gevoerd rond vier thema’s, die ook centraal staan in het nieuwe Manifest van de Utrechtse gemeenten, waarvan het concept aan de vooravond van het debat werd gepubliceerd. Voor aanvang van het debat bood het college van B&W van Amersfoort de lijsttrekkers nog een taart in hartvorm aan, waarop de vier belangrijkste thema's uit het manifest expliciet stonden afgebeeld.
Bestuurlijke samenwerking
De Vries reageerde als eerste op de aftrap die burgemeester Hans Schmidt, burgemeester van Woerden, gaf voor het eerste thema van de avond: bestuurlijke samenwerking. Schmidt had zich afgevraagd over de provincie niet veel meer als ambassadeur van de Utrechtse gemeenten moet optreden, en de gemeentelijke belangen beter behartigen. “Partnerschap spreekt voor zich”, reageerde De Vries. “Maar we moeten wel het algemeen belang in het oog houden. We kunnen elkaar namelijk vinden maar ook elkaar tegengekomen. We moeten immers altijd het algemeen belangen afwegen tegen de gemeentelijke belangen. Er zitten kortom twee kanten aan.” Vier jaar geleden sloten gemeenten en provincie een samenwerkingsagenda met elkaar. Daarin werden afspraken over meer dan 200 onderwerpen. Is dat bevallen? wilde debatleider Elisabeth van den Hoogen weten. Niet echt, zo bleek. Lijsttrekker van de SGP Wim van Wikselaar: “De samenwerkingsagenda is op zich een goed idee maar dan moeten we wel helder voor ogen hebben op welke terreinen we willen samenwerken. Dit ging alle kanten op.” Deels is dat ook aan de provincie te wijten. “We geven als provincie veel te weinig aan wat we willen. We leven daardoor als twee overheidslagen langs elkaar heen. En zo zie je een machtsstrijd ontstaan die ik niet kan begrijpen. Het is daarom ook ontzettend belangrijk om als fracties op provinciaal en lokaal niveau de zaken beter met en op elkaar af te stemmen.” Volgens Pieter Wout (SP) was de samenwerkingsagenda te veel politiek gekleurd. “De samenwerkingsagenda bevatte politieke zaken die politiek niet waren afgekaart. Dat leidde tot een raar wensenlijstje.” Petra Doornenbal van het CDA zag daarentegen wel de voordelen .”We stonden hier vier jaar geleden ook en constateerden toen dat er teveel ruimte was tussen elkaar. Dankzij de samenwerkingsagenda zijn we dichter tot elkaar gekomen. Het was een dappere poging waar we veel van geleerd hebben. Maar we moeten in de toekomst wel concreter zijn.” Van den Hoogen: “Maar van de 277 benoemde projecten zijn er 230 gerealiseerd. Dat is toch een aardig resultaat?” Mariëtte Pennarts (GroenLinks) was het daarmee eens. “Daarom moeten we hiermee doorgaan en meer samenwerking zoeken, maar dan wel op essentiële onderwerpen. Jeugdzorg is bijvoorbeeld een thema dat absoluut moet terugkomen in een Samenwerkingsagenda 2.0.” Remco van Lunteren (VVD): “Het was fout dat het allemaal om geld draaide. Er was bovendien sprake van een waslijst van wensen, die nu gelukkig een stuk compacter geworden. Samenwerking moeten we zoeken op het punt van regionale belangenbehartiging. Maar als het schuurt tussen gemeenten moeten we als provincie ook durven in te grijpen. Gemeenten moeten meer accepteren dat de provincie niet alleen een partner, maar ook een hogere overheid is.” Volgens Anco Goldhoorn van het Platform Lokale Partijen Utrecht was de voornaamste fout van samenwerkingsagenda dat zij niet democratisch gelegitimeerd was. “Een samenwerkingsagenda moet op draagvlak kunnen rekenen. De gemeenteraden noch de provinciale staten hebben zich hierover kunnen uitspreken. Daar zet ik mijn vraagtekens bij.”
Economie en mobiliteit
Wethouder Wouter Kolff (VVD) van Nieuwegein gaf de aftrap voor het blok Economie en mobiliteit. Een van de kerntaken van de provincie, aldus Kolff. “Mobiliteit is van groot belang om te zorgen dat Utrecht als economische regio blijft functioneren. Een goed wegennet en een goede bereikbaarheid zijn van cruciaal belang. Economie draait ook om de herstructurering van bedrijventerreinen en de bestrijding van de enorme leegstand in de kantorenvoorraad. Het kan niet zo zijn dat de ene gemeente stopt met het bouwen van kantoren terwijl de ander daar gewoon mee doorgaat.” De lijsttrekkers waren het er over eens dat provincie met name een coördinerende en regisserende rol heeft. Mieke Hoek van 50 plus: “De provincie moet de problemen in kaart brengt en de oplossingen coördineren.” Pennarts: “De regierol is er absoluut een van de provincie. Maar we moeten er in feite samen iets aan doen: het rijk, de provincie en de gemeenten. En de gemeenten misschien nog wel het meest. Zij kunnen immers de bestemmingsplannen wijzigen zodat transformatie makkelijker wordt.” Volgens Pennarts heeft de provincie geen behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen. “Dat moet streng worden beteugeld. Alleen dan ontstaat voldoende druk om de herstructurering van bestaande terreinen op gang te krijgen.” Han IJssennagger (PVV): “De provincie moet van bovenaf een regime opleggen. Er staan veel kantoren leeg, dus wat ons betreft hoeven er geen kantoren meer te worden bijgebouwd. Herbestemmen, verbouwen of herbouwen, daar gaat het de komende jaren om. De realisatie van nieuwe bedrijventerreinen moeten ook begrensd worden. Dat vereist een provinciale benadering.” Volgens Bert de Vries (PvdA) staan alle partijen in de staten op dit punt op een lijn. “Hier is kortom een grote slag te slaan voor de provincie. Want we zijn het met elkaar eens eens.” Carla Dik-Faber (Christenunie) wees nog wel op de suggestie van de landelijke VNG voor de introductie van zogeheten SER-ladder voor de kantorensector, zoals die ook voor de bedrijventerreinen is ontwikkeld. “Dat zou een hele goede zaak zijn, omdat de problemen dan regionaal worden opgepakt. Van Lunteren (VVD): “We moeten er met elkaar bezorgen dat het aantal beschikbare hectares goed wordt toegewezen. Komen gemeenten er op deze terreinen samen niet uit, dan moeten we als provincie gaan bepalen waar we wel en niet iets gaan doen.” Van Wikselaar (SGP): “Maar daarbij moet wel degelijk ook worden gekeken naar welk bedrijf zich waar wil vestigen. Een groot transportbedrijf in een groene omgeving vestigen is vragen om problemen.”
Jeugdzorg en welzijn
Margot Stolk, wethouder van Vianen en bestuurslid van VNG afdeling Utrecht, introduceerde het thema jeugdzorg. Hoewel dit beleidsterrein overgaat van provincie naar gemeenten valt er over het hoe nauwelijks iets terug te vinden in de verkiezingsprogramma. “Over de nieuwe manier van werken staat er heel weinig concreets in. Wel dat er heel veel zal worden gecontroleerd en moet worden gerapporteerd, terwijl het in feite uw pakkie-an niet meer is. Het geld is ook een probleem. De provincie heeft altijd veel geld in de jeugdzorg gestoken, draagt nu de taken over, maar draagt het budget niet over naar de gemeenten. Het kan toch niet zo zijn dat de jeugd daardoor het kind van de rekening wordt?” Volgens Van Lunteren (VVD) is daar ook geen sprake van. “Wij vinden jeugdzorg enorm belangrijk. Het besluit is genomen om het over te dragen aan gemeenten. En dat is een goede zaak. Gemeenteraden moeten er vervolgens wel dezelfde prioriteit aan geven als de provincies en daar dus ook het benodigde geld voor uittrekken. Vergeet niet: als er niets wordt geregeld, blijven wij de verantwoordelijkheid houden. Bert de Vries (PvdA): “Het kind staat voorop, maar dat zien wij te weinig terug. Te vaak staan de regelgeving en budgetten voorop. De PvdA is van mening dat het kind te allen tijde centraal staat en ook moet blijven staan. Dat is niet een taak van gemeente of provincies, dat is taak van ons allemaal. In het algemeen moet de jeugdzorg simpeler van opzet worden gemaakt. Er zijn gemiddeld 23 instanties die zich met een kind bemoeien. Dat kan en moet ook veel simpeler. We kunnen elkaar nu wel de tent uitvechten op de overdracht van taken en budgetten. Maar ik zit meer op de lijn van samenwerking. De PvdA wil niet bezuinigen op de jeugdzorg. Kies voor een links kabinet en dan gebeurt dat ook niet.” Van Lunteren (VVD): “Dit kabinet doet precies wat De Vries wil. De stelselwijziging in de jeugdzorg is juist bedoeld om het allemaal een stuk simpeler te maken en waar nodig geld bij te passen. Een andere organisatie, waarbij de belangen van het kind voorop staan.” Goldhoorn (PLU): “Wij delen de zorg over het feit dat de budgetten met 30 procent worden gekort. Maar veel tekorten ontstaan door de veel te hoge overhead van alle organisaties die zich met de jeugdzorg bezig houden. Er gaat feitelijk maar heel weinig geld naar de cliënten, zo’n 30 tot 40 procent. Dat moet veranderen.” “Maar waarom wil de provincie dan toch blijven sturen via controles en rapportages”, wilde Van den Hoogen weten. Doornenbal (CDA): “Onze inzet is dat gemeenten op het moment dat de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg aan de gemeenten wordt overgedragen zij ook zijn toegerust om die taak over te nemen. We moeten samen bepalen waar er behoefte aan is om die overdracht zo soepel mogelijk te laten verlopen. Dat brengt controleren en rapporteren met zich mee.” Ralph de Vries (D66): “Wij willen voorkomen dat het kind tussen wal en schip valt. De overdracht moet dus goed gebeuren.” Dat het geld er niet bij wordt gegeven is logisch, vindt Han IJssennagger van de PVV: “Wie betaalt bepaalt, en wie bepaalt betaalt. Als het nodig is om de aanloopkosten te financieren, dan doen we dat. Maar als we er niets over te zeggen hebben, geven we er ook geen geld meer aan uit.” Carla Dik-Faber(CU): “Het gaat om het kind. Dat vind iedere partij. Daarom vinden wij de overdracht van de jeugdzorg naar het lokale niveau een goede zaak. Want dan bevindt de hulp zich op de plek waar ook het kind is.” Van Lunteren (VVD): “En op het moment dat het overgaat naar de gemeenten hebben zij ook de verantwoordelijkheid. Als provincie moet je dan niet meer mee willen meesturen. Wij kiezen er in ieder geval voor gemeenten zelf verantwoordelijk te laten zijn.”
Ruimtelijke ordening en de rode contouren
Voor het laatste thema, ruimtelijke ordening, schetste Bert Homan, wethouder van de Utrechtse Heuvelrug het voornaamste knelpunt. “De wet Ruimtelijke Ordening legt de verantwoordelijkheid daar waar die hoort: bij de gemeenten. De provincie heeft een controlerende taak. In de praktijk lijkt het er echter op alsof de provincie vooral wil bepalen wat goed voor ons is. En dat leidt tot lange processen, veel bestuurlijk overleg, en vooral ook veel bestuurlijk wantrouwen over en weer.” Tinus Snyders, lijsttrekker van Mooi Utrecht reageerde als eerste. “Wij willen veel nadrukkelijker uitspraken zien over de kwaliteit van bepaalde plekken in de provincie en de wijze waarop die behouden kan blijven. De provincie moet veel meer faciliterend optreden. Zij moet meer als een soort koesterende engel dan als baas boven het speelveld hangen. De doelstellingen zijn op zich heel aardig, maar resultaat is er niet. Daarom moeten gemeenten het zelf doen, zij het wel nauwe samenspraak met hun buurgemeenten. Waar nodig moeten er openingen in de rode contouren worden gemaakt.” Dik-Faber (ChristenUnie) is het daar niet mee eens: “Het is juist heel goed dat de provincie rode contouren trekt en daar ook strikt aan vasthoud. Het primaat ligt inderdad bij gemeenten op lokaal niveau en in stedelijk gebied. De provincie gaat met name over de kwaliteit van het landelijk gebied. De rode contouren bieden veel duidelijkheid over de begrenzing daarvan.” Ook Doornenbal (CDA) toont zich voorstander van het contourenbeleid. “Als het contourenbeleid wordt gehandhaafd, hoeven we niet in de groene ruimte van deze provincie te treden. Bovendien dwingt het gemeenten om beter na te denken over het gebruik die zij tot hun beschikking hebben.” Van Lunteren (VVD): “Zij het dat er wel degelijk maatwerk mogelijk. Daar waar nodig kan de provincie ontheffing verlenen.” De PvdA is daar geen voorstander van. Lijsttrekker Bert de Vries: “Als we daar niet streng aan vasthouden, dan is op enig moment al het groen uit de provincie verdwenen. Terwijl juist een heleboel mensen in Utrecht wonen omdat het hier zo groen is. Natuurlijk moet er gebouwd worden, maar doe dat dan binnenstedelijk, en eventueel de lucht in.” Pennarts van GroenLinks is het daar volstrekt mee eens. “Het contourenbeleid is heilig voor ons. Alleen zo krijg je binnenstedelijk bouwen van de grond.” IJssennagger (PVV): “We zijn veel te krampachtig bezig. Van deze provincie is circa 14 procent bebouwd. Meer dan drie kwart is natuur, ruimte en water. Er is dus ruimte zat. En als we een paar procent daarvan opofferen hebben we alle problemen opgelost.” Van Wikselaar (SGP) wijst op een motie die de SGP heeft ingediend over de rode contouren als organische kracht. “Maar die wordt niet uitgevoerd.” Ralph de Vries (D66) op zijn beurt noemt Woerden als lichtend voorbeeld. “Aan de ene kant van de gemeente geven ze een deel terug aan de natuur, en aan de andere kant wordt een oud bedrijventerrein gerevitaliseerd. Zo zou het in alle gemeenten moeten gaan.” |
|