VNG Utrecht

Najaarscongres 2010: ‘Van groeistuip tot krimpkramp’

19-11-10

Is krimp in de provincie Utrecht een probleem? Slechts in zeer beperkte mate, zo luidde de conclusie van het Najaarscongres 2010 van VNG afdeling Utrecht. In deze regio gaat het met name om het in goede banen leiden van de groei, zonder dat natuur en landschap, de woningmarkt en de mobiliteit er onder te lijden hebben. Daarnaast is het vooral de vergrijzing die om aandacht van de beleidsmakers vraagt.

‘Van groeistuip tot krimpkramp - de toekomst van Utrecht in demografisch perspectief’. Zo luidde de titel van het interactieve deel van het Najaarscongres 2010, onder leiding van Elisabeth van den Hoogen. Daarvoor was al de Algemene Ledenvergadering gepasseerd. klik hier voor een verslag daarvan.

Gastheer van het Najaarscongres was de gemeente Eemnes, die als locatie het gebouw van de BEL-combinatie had uitgekozen, de gezamenlijke werkorganisatie van de gemeenten Blaricum, Eemnes en Laren. Roland van Benthem, burgemeester van Eemnes, heette het gezelschap dan ook als eerste welkom, en wees in dat kader op de schaalvoordelen van de samenwerking. "In plaats van drie kleine is er nu een grote ambtelijke organisatie. En dat werkt prima", aldus Van Benthem, die ook de hoge duurzaamheid van het gebouw zelf benadrukte.

Ter voorbereiding van de bijeenkomst had VNG afdeling Utrecht het onderzoeksbureau USBO van de Universiteit Utrecht een quick scan laten uitvoeren naar de demografische ontwikkeling van de provincie in de periode 2010-2040.
Hieruit blijkt dat negen van de 29 Utrechtse gemeenten in meer of mindere mate met krimpkramp te maken krijgen. De andere twintig zullen vooral met groeistuipen worden geconfronteerd. En alle gemeenten weten zich gesteld voor de opgaven die een vergrijzende bevolking met zich meebrengt.

Klik hier voor meer informatie over het onderzoek.

Uitblinker in verscheidenheid

Commissaris van de Koningin Roel Robbertsen die het eerste exemplaar van de quick scan ‘Krimp en groei in de provincie Utrecht’ in ontvangst nam, sprak van een goed initiatief. “Dit onderzoek biedt de nodige handvatten voor toekomstig beleid.”
Tegelijkertijd valt op dat het beeld dat uit de quick scan naar voren komt, niet bepaald homogeen is. Groei en krimp komen beide voor. “Zoals wel vaker het geval is blinkt Utrecht uit in verscheidenheid”, aldus Robbertsen. Volgens Robbertsen wordt krimp ten onrechte als iets negatiefs gezien. “Heel ons denken en doen is gebaseerd op groei. Krimp geldt als een lelijk woord. Toch is het lang niet altijd slecht. Soms moet krimp zelfs worden gestimuleerd om kwaliteit te behouden. We kunnen niet steeds het vijftig kilometerbordje verplaatsen en tegelijkertijd onze natuurwaarden behouden. We voeren als provincie daarom heel bewust een restrictief bouwbeleid. Inbreiding krijgt sowieso de voorkeur. We moeten in de steden met groei zorgen voor een goede invulling van de benodigde woningbouw en infrastructuur. Steden met krimp op hun beurt vergen aandacht voor het voorzieningenniveau, de cultuurhuizen, het onderwijs, en het openbaar vervoer. En burgers moet de ruimte krijgen om zelf initiatieven te ontplooien om de leefbaarheid te behouden.”
Toch zal in Utrecht met name de vergrijzing het thema zijn waar het in de toekomst echt om gaat, meent Robbertsen. “Het meest duidelijk is dat het aantal 65-plussers de komende decennia fors gaat toenemen. Dat is een ontwikkelingen waar provincie en gemeenten terdege rekening mee moeten houden.” Dat gaat verder dan het bouwen van voorzieningen. “De oudere bestaat niet. Er is sprake van een grote diversiteit in vitaliteit en hulpbehoevendheid. De kunst is om er tijdig over na te denken hoe hiermee om te gaan. Wij als provincie willen daar een actieve taak in vervullen.”

Op zijn weblog van 25 november 2010 gaat Robbertsen ook nog in op het Najaarscongres. Klik hier.

Het dilemma van Utrecht

Ook gastspreker Friso de Zeeuw, directeur Nieuwe Markten bij Bouwfonds Ontwikkeling en parttime Praktijkhoogleraar Gebiedsontwikkeling aan de TU Delft, ziet krimp niet bepaald als een probleem in Utrecht. “Dat is hier niet of nauwelijks aan de orde.”
Volgens hem zal de aandacht vooral moeten uitgaan naar het behoud van de aantrekkelijkheid als vestigingslocatie. “Het dilemma van Utrecht is dat iedereen er wil wonen en werken, maar dat de groene omgeving juist de kracht is. Men heeft in Utrecht nog wel eens de neiging om de eigen kwaliteiten te onderschatten. Maar deze provincie is nog aantrekkelijker dan jullie zelf denken. Maar die aantrekkelijkheid stelt tegelijkertijd ook grenzen aan de groei. En om aantrekkelijk te blijven is in ieder geval een doordachte strategie nodig, gebaseerd op geleidelijkheid, en adequate politieke en bestuurlijke begeleiding.” Een volksverhuizing richting Almere is wat hem betreft in ieder geval geen oplossing.
Een probleem is volgens De Zeeuw wel de ‘ongekend hoge bestuurlijke dichtheid’ van Utrecht. “Op dat gebied is krimp juist aan te bevelen.” Er kan een einde aan die bestuurlijke drukte worden gemaakt als provincies hun verantwoordelijkheid nemen en op de stoel van regisseur gaan zitten, meent hij. “Vergeet niet: de provincies zijn de winnaars van het regeerakkoord. De provinciale Structuurvisie zal in de toekomst dan ook een cruciale rol gaan vervullen. Mits er ook een uitvoeringsstrategie aan gekoppeld is.”

Klik hier voor de powerpoint presentatie van Friso de Zeeuw.

'Doorpakken is lastig'

 Nol Reverda is wetenschappelijk directeur NEIMED (Nederlands Kennisinstituut Maatschappelijke Effecten Demografische Krimp) en bijzonder lector demografische krimp aan de Hogeschool Zuyd. Hij legde de link met Parkstad Limburg om aan te geven dat bestuurlijke drukte een probleem kan zijn in de bestrijding van de negatieve effecten van krimp. “Krimp leidt op bestuurlijk niveau tot meer samenwerking, maar eens in de vier jaar is het woord aan de burger. Dat maakt doorpakken een stuk lastiger, want daarvoor zijn in feite slechts de eerste twee jaar van de vierjarige cyclus beschikbaar. Daarna wordt het lastig. Slopen geldt immers nog altijd als politieke doodzonde. Terwijl het soms wel degelijk noodzakelijk is.”
Volgens Reverda mogen groeiregio’s op hun beurt best wat meer rekening met krimpregio’s houden. “In Nederland is sprake van selectieve krimp. Utrecht profiteert volop van het feit dat ze in Limburg, Groningen en Zeeland hun kinderen zo goed opleiden. Want die trekken als ze hun opleiding eenmaal hebben genoten massaal weg, onder andere naar Utrecht. U profiteert van wat andere provincies in de jeugd hebben geïnvesteerd. Dus u mag best wel wat meer solidariteit betrachten.”
Voor alles geldt echter dat krimp zeer serieus moet worden genomen. Reverda haalde in dat kader de vier B’s van Gert-Jan Hospers aan, waarmee de verschillende bestuurlijke omgangsvormen met krimp kunnen worden geduid: Bagatelliseren, Bestrijden, Begeleiden, Benutten. De slechtste keuze van een bestuurder zou zijn om krimp te bagatelliseren en te bestrijden. “Erken en accepteer krimp. Kijk vervolgens hoe je daar het beste op kunt reageren. Kijk kritisch naar je bouwplannen en de woningvoorraad. Ga vooral niet de concurrentie aan met buurgemeenten, maar zoek juist de samenwerking. De oplossing van krimp zit altijd verborgen in de eigen regio. Samenwerking is dus cruciaal.”

Klik hier voor de powerpoint presentatie van Nol Reverda.

Verbindingen maken

In de discussie brak Gerda Oskam, fractievoorzitter van D66 in de gemeente Utrecht, een lans voor klantgericht denken (“Think Customer!”), en vroeg zij gemeenten meer over de eigen grenzen heen te kijken. “Bedenk niet wat de regio voor u kunt doen, maar bedenk wat u voor de regio kunt doen. De opgaven zijn gigantisch in Utrecht. We moeten daarom veel meer kijken naar de verbindingen die gemaakt kunnen worden.” Het kwam haar op enige kritiek uit de zaal te staan, bijvoorbeeld uit buurgemeenten Nieuwegein en IJsselstein. “Het is niet waar dat we met de rug naar elkaar toe staan. We staan juist met de gezichten naar elkaar toe. En dat gebeurt in de volle overtuiging dat je met samenwerking juist meer kunt bereiken.”
Burgemeester Ties Elzenga van Veenendaal ondersteepte dat. “Regionale samenwerking is zeer belangrijk. Wij merken de voordelen daarvan in de Foodvalley. Soms moet je dus ook buiten de provinciegrenzen kijken. Ik ben het met De Zeeuw eens dat we als Utrecht niet in Almere moeten gaan zoeken. Dan kunnen we beter de blik op Gelderland richten.”
Van de gemeente Lopik kwam het bezwaar dat groot de neiging heeft om klein simpelweg op te slokken. “Iets wat groot is denkt al gauw het kleinere erbij aan te koppelen. Dat voelt niet bepaald prettig.” Volgens Oskam was dat ook niet de bedoeling. “De groei moeten we accommoderen, maar liefst wel in samenwerking met onze buurgemeenten.”

Rollator - en kinderwagenvriendelijk

Frits Naafs, burgemeester van Utrechtse Heuvelrug, gaf aan dat de nadruk in zijn gemeente vooral ligt aan het op peil brengen en houden van het voorzieningenniveau. “Wij willen een van rollator- tot kinderwagenvriendelijke gemeente zijn. Clustering van voorzieningen hoort daarbij. Of het gaat werken tegen de krimp waag ik te betwijfelen. Bovendien moet je krimp niet willen bestrijden maar juist begeleiden, hebben we van Reverda gehoord. In ieder geval zullen we onszelf zo aantrekkelijk mogelijk moeten laten zijn.”
Reverda plaatste daar als kanttekening bij dat het lang niet altijd noodzakelijk is om alle voorzieningen in eigen huis te hebben. “Zolang de inwoners maar de kans wordt geboden om de voorzieningen snel en makkelijk te bereiken. Dat kan dus ook door een pendelbus naar een zorgcentrum of een theater in een aanpalende gemeente. Het buurt-, wijk- en dorpsniveau is met andere woorden een veel te strak keurslijf. Je moet het op een hoger schaalniveau bekijken.”
Frank Tuit, raadslid voor de VVD in Woerden, brak in zijn bijdrage aan de discussie een lans voor de jeugd. “Gemeenten die met krimp worden geconfronteerd zullen daar de nadruk op moeten leggen. Als je de jeugd voor het dorp weet te behouden, komt het goed. Hier wreekt zich ook met name het strakke contourenbeleid van de provincie. De kern Kamerik ziet zijn jongeren naar Woerden vertrekken, omdat zij zelf geen woningen voor deze doelgroep kan bouwen. Dat is een groot probleem.”
Volgens De Zeeuw is dat een kwestie van accepteren. “Het kan niet zo zijn dat je in alle kernen het hele spectrum van de bevolkingsopbouw kunt bedienen en ook in alle behoeften kunt voorzien. Hoe erg is dat ook, maar je moet het eigenlijk niet eens willen.”
Tuit: “Maar dat wil ik ook niet. Het gaat mij om de jongeren die willen blijven maar niet kunnen blijven, omdat de kernen aan hun grenzen zitten wat nieuwbouw betreft. Misschien moeten we voor deze groep toch iets minder strak aan de rode contouren hechten.”

Sneldichteres Dominique Engers liet tot besluit van de bijeenkomst op humoristische wijze de gebeurtenissen van die ochtend nog eenmaal de revue passeren. Zo bezien bleek het Najaarscongres 2010 niet alleen voor de aanwezige bestuurders een grote bron van inspiratie te zijn geweest.

Klik hier voor haar sneldicht.

Klik hier voor het complete programma van het Najaarscongres 2010.
Klik hier voor de deelnemerslijst.