21feb

Terugblik bijeenkomst Doet democratie er nog toe?

De representatieve democratie functioneert het best als politici echt met elkaar in debat gaan en ook luisteren naar elkaars standpunten en argumenten. Maar juist daarin schiet de politiek in Nederland danig tekort, vindt John Bijl, directeur van het Periklesinstituut en columnist van Binnenlands Bestuur. “De echte uitdaging is: hoe zorgen we ervoor dat politici weer in gesprek komen met elkaar?”

In de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 21 maart aanstaande is het een legitieme vraag: doet de (lokale) democratie er eigenlijk nog wel toe? Die vraag stond aan de basis van de bijeenkomst van de VNG afdeling Utrecht en het programma Lokale Democratie in Beweging (VNG/BZK) op woensdagavond 21 februari 2018 in het stadshuis van Nieuwegein. De avond werd geleid door Marcella van Esterik, griffier van Wijk bij Duurstede en bestuurslid van de VNG afdeling Utrecht. 

Jazeker, zo luidde het antwoord van gastspreker John Bijl. Zeker in campagnetijd blijkt hoezeer de democratie er voor veel mensen nog wel degelijk toe doet. “Maar we moeten ons wel stevig afvragen of het systeem nog wel goed functioneert.”

Dat is voor een belangrijk deel het geval. “Nederland is nog steeds geen bananenrepubliek. Het systeem is niet corrupt en met de integriteit van politici zit het ook wel goed. Vrij Nederland signaleerde dat er onder de 20.000 actieve politici slechts 64 gevallen van onoorbaar gedrag konden worden gesignaleerd. Het zou pas zorgelijk zijn als dit soort berichten het nieuws niet meer haalt.”

Verhalen ophalen

Toch wordt er volop gemopperd op het systeem. Volgens Bijl ligt dat aan het feit dat we met elkaar niet meer goed weten waar de representatieve democratie aan moet voldoen. In essentie draait het om aggregatie, deliberatie en rekenschap.

Aggregatie staat voor het vermogen om verhalen, ervaringen en standpunten op te halen uit de samenleving. Bijl: “Daar zou de representatieve democratie heel wat beter in kunnen functioneren.” Dat dit niet het geval is, hangt voor een belangrijk deel samen met de enorm werkdruk voor raadsleden. Zij zijn onderbetaald en overbelast. Daardoor is het college vaak de enige informatiebron. En dat was nu net niet de bedoeling. De gemeenteraad zou het zelf bij het volk moeten ophalen. Maar dat schiet erbij in.”

Deliberatie is de essentie van de representatieve democratie, aldus Bijl. “In het politieke debat hoort de inhoud centraal te staan. Wat zien we echter in de praktijk? Paars II nam besluiten op basis van politieke logica. Zo hoort het dus niet. De Tweede Kamer, provinciale staten, gemeenteraden: ze zijn veelal verdeeld in oppositie en coalitie: tegen en voor. Dat hoort ook niet. Het gebrek aan deliberatie raakt het functioneren van de democratie. Het grote probleem is dat we niet meer met elkaar praten. Daar ligt dan ook meteen onze echte uitdaging: hoe zorgen we ervoor dat politici weer in gesprek komen met elkaar? Dat men werkelijk luistert naar elkaars standpunten en argumenten?”

In Coevorden maakte Bijl een raadsdebat mee over de voorgenomen sluiting van een zwembad. De bevolking was daar fel op tegen. Toch werd het besluit genomen. Na afloop sprak hij een inwoner van Coevorden, die zei: ik ben het er niet mee eens maar begrijp het wel. “Zo zou het dus altijd moeten werken. Ben je er als raadslid wel zeker van dat de burgers op de hoogte zijn van de afwegingen die de politiek heeft gemaakt?”

Rekenschap geven

Waarmee meteen het derde ingrediënt van de representatieve democratie is benoemd: zich rekenschap geven. “Je moet als politicus kunnen uitleggen waarom besluiten genomen zijn”, aldus Bijl. “Ondanks het feit dat het publiek daar eigenlijk helemaal niet zo in geïnteresseerd is. De politiek denkt dat dat wel zo is. Zij rekent erop tijdens verkiezingen beloon te worden voor goed gedrag. Maar daar is geen sprake van. Je krijgt echt geen aai over je bol als je het goed hebt gedaan. Wat je voor elkaar hebt gekregen, heeft geen impact.”

Volgens Bijl ligt mede daarom de voornaamste uitdaging voor raadsleden bij aggregatie en deliberatie. “Laat je voeden met kwesties, argumenten en voorbeelden en zorg dat ze een plek krijgen in het publieke debat. Neem als raad in vergadering bijeen vervolgens herkenbare standpunten in, doe dat in begrijpelijke taal, en zorg er altijd voor dat je met elkaar in gesprek blijft.”

Het is niet nodig om daarbij elkaar met fluwelen handschoentjes aan te pakken. “In een democratie moet je niet te voorzichtig worden. Maar als je wispelturigheid ten toon spreidt worden burgers ook onrustig. Blijf dus staan voor je standpunten. Dat is nog een hele kunst. Maar consistentie is wel degelijk belangrijk. Ook al omdat je altijd moet kunnen uitleggen waarom een bepaalde keuze gemaakt is.”

Het advies is dan ook om direct na de verkiezingen geen twee maar drie documenten op te stellen. Het collegeakkoord, waarin de wethoudersploeg vastleggen wat ze wil gaan betekenen; het coalitieakkoord, waarin staat waar de raad haar wethouders aan gaat houden; en het raadsprogramma. “Dat is misschien nog wel belangrijker. Leg vast welke onderwerpen je de komende vier jaar als gemeenteraad wil gaan behandelen. De meningen over die onderwerpen hoeven niet overeen te stemmen. Zolang er maar overeenstemming is om het op de agenda te zetten. Het raadsprogramma zou ik iedere gemeenteraad van harte willen aanraden.”